Uit het leven van Mohammed (2) De nachtelijke reis

door abubakkernl

Dit is het verhaal van de wonderlijke reis die de Profeet Mohammed (mogen vrede en Gods zegeningen met hem zijn) met de engel Djibriel naar Jeruzalem en door de zeven hemelen naar God maakte.

Oemm Hani, de dochter van Aboe Talib vertelt:

De Boodschapper van God was in mijn huis gaan slapen. Toen hij opstond , vertelde hij dat hij die nacht naar Jeruzalem was gereisd.

Toen hij naar buiten wilde gaan, trok ik aan zijn kleren om hem tegen te houden, zodat zijn blote buik zichtbaar werd. Ik zei tegen hem: O Boodschapper van God, vertel het aan niemand. De mensen zullen je voor leugenaar uitmaken en je kwaad doen.

De Boodschapper van God zei: Bij God, ik zal het vertellen.

Toen het nieuws zich onder de moslims verspreidde, raakten er een paar zo in de war dat zij hun geloof afzworen. Zij gingen naar Aboe Bakr en zeiden tegen hem: Weet jij  wat je vriend vertelt? Hij beweert dat hij vannacht in Jeruzalem gebeden heeft. Aboe Bakr zei: Jullie liegen. Zij zeiden: Vraag het hem dan zelf. Aboe Bakr zei: Nou, als hij het zegt, dan is het zeker waar.

Aboe Bakr ging naar de Boodschapper van God en vroeg hem: Heb jij aan deze mensen gezegd dat je vannacht in Jeruzalem was?

> Ja.

> Beschrijf het, aangezien ik de stad ken.  De Boodschapper van God beschreef hoe de stad eruit zag en Aboe Bakr zei dat het klopte. Daarna zei hij: Ik getuig dat jij de Boodschapper van God bent.

> En jij, Aboe Bakr, bent degene die de waarheid verkondigt.

De Boodschapper van God vertelde toen:

Ik werd gewekt door Djibriel, die mij naar een wit, slank rijdier bracht dat op een ezel en een muildier leek en dat stevig op zijn hoeven stond. Hij noemde het al-Boeraak. Ik besteeg het dier en reed weg, samen met Djibriel, die na enige tijd tegen mij zei: Stijg af en bid.

Ik gehoorzaamde. Toen ik klaar was zei hij: Weet je waar je hebt gebeden? In Tieba (Medina), de plaats van de ballingschap.

Verderop zei hij weer: Stijg af en bid. Ik verrichtte mijn gebed en hij zei tegen mij: Weet je waar je hebt gebeden? Op de berg Sinaï, waar de Almachtige Mozes, vrede zei met hem, de Tien Geboden gaf.

Toen we nog verder waren gekomen, herhaalde Djibriel: Stijg af en bid. Toen ik klaar was, zei hij weer tegen mij: Weet je waar je hebt gebeden? In Bethlehem, waar Jezus, vrede zij met hem, is geboren.

Ten slotte bereikten we Jeruzalem. Ik bond al-Boeraak vast aan de ring die de profeten daarvoor altijd gebruikten en ging de moskee binnen. Ik verrichtte een gebed van twee raka’aat en ging naar buiten. Djibriel kwam met twee kruiken naar mij toe, de ene gevuld met wijn en de andere met melk. Ik nam de kruik die met melk was gevuld en Djibriel zei: Je hebt de goede keuze gemaakt, de keuze van een mens die weet wat goed is.

Toen bracht Djibriel de profeten bijeen en liet mij voorgaan in het gebed. Daarna verhief hij zich met mij tot in de eerste hemel.

Daar aangekomen, verzocht Djibriel om binnengelaten te worden. Een stem vroeg: Wie ben jij?

> Djibriel.

> Wie is er bij je?

> Mohammed.

> Heeft hij zijn opdracht al gekregen?

> Hij heeft zijn opdracht al gekregen.

Toen werd ons open gedaan en ik stond voor Adam, die mij welkom heette en mij het beste wenste.

Daarna verhief Djibriel zich met mij tot in de tweede hemel, waar hij weer verzocht om binnengelaten te worden. Een stem vroeg: Wie ben jij?

> Djibriel.

> Wie is er bij je?

> Mohammed.

> Heeft hij zijn opdracht al gekregen?

> Hij heeft zijn opdracht al gekregen.

Er werd ons opengedaan en ik stond voor Isa, zoon van Meryem, en Yahya, zoon van Zakaria. Zij heetten mij welkom en wensten mij het beste.

Zo ontmoetten we Yusuf, Idries, Haroen en Moesa. Ten slotte kwamen we bij de zevende hemel, waar Ibrahiem op ons wachtte. Hij leunde tegen het Veelbezochte Huis, waar elke dag zeventigduizend engelen komen om er nooit meer terug te komen.

Toen verhief Djibriel zich met mij boven de zeven hemelen. Wij bereikten de Sidrat al Moentaha, de boom van de Eindbestemming. Ik werd door een nevelsluier omhuld en ik wierp mij ter aarde. Ik hoorde toen: Op de dag dat Ik de hemelen en de aarde heb geschapen, heb Ik bepaald dat jij en je volk vijftig gebeden per dag moeten doen. Die hebben jij en je volk vanaf vandaag te volbrengen.

Daarna kwam ik terug bij Ibrahiem, die geen vragen stelde. Maar toen ik terugkwam bij Moesa, vroeg hij mij: Hoeveel gebeden heeft de Heer jou en je volk opgedragen?

Ik antwoordde: Vijftig.

Moesa zei tegen mij: Dat is veel teveel voor jullie. Ik ken de mensen beter dan jij. Ik heb met de kinderen van Israël heel wat te stellen gehad. Ga terug naar de Heer en vraag Hem het aantal te verminderen.

Ik ging terug naar de Heer, die er tien van maakte. Maar Moesa zei dat ik het nog eens moest proberen en ik bereikte dat het er vijf werden. Toch zei Moesa: Ga nog een keer terug naar de Heer en vraag hem het aantal nog meer te verminderen. Hij heeft de kinderen van Israël twee gebeden opgedragen en die doen ze niet eens. Maar ik weigerde omdat ik me zou schamen om nog verder aan te dringen.

De mensen die naar de Boodschapper van God geluisterd hadden, vroegen: Geef ons bewijzen, Mohammed. Wij hebben nooit zoiets wonderlijks gehoord.

De Boodschapper van God zei: Toen ik naar het land van Sjaam ging, vloog ik boven de kudde van Ibn Foelaan. Een van de kamelen schrok van mijn rijdier en ging er vandoor. Vanuit de lucht riep ik naar de mensen waar ze hun kameel terug konden vinden. En aan de voet van de berg Sahfaan heb ik slapende mensen gezien, naast wie een kruik vol water stond met een deksel erop. Daar heb ik uit gedronken. Deze mensen dalen op dit ogenblik van al-Baidaa’ af naar de pas van at-Tan’iem met een grijze kameel die voorop loopt en die twee zakken draagt. De ene is zwart en de andere veelkleurig.

De mensen gingen naar de pas van at-Tan’iem. Zij zagen de zwarte kameel met de twee zakken. Daarna ondervroegen ze de mensen, die vertelden dat zij hun waterkruik hadden gevuld voordat ze waren gaan slapen, maar dat hij leeg was toen ze wakker werden, hoewel het deksel er nog steeds op lag. Ten slotte ondervroegen ze de mensen van Ibn Foelaan die net in Mekka aankwamen, en zij bevestigden de woorden van de Boodschapper van God: Bij God, hij zegt de waarheid. Nadat een van onze kamelen schrok en wegliep, hebben we een stem gehoord die ons naar hem toe leidde en het ons mogelijk maakte hem weer te vinden.

“Geprezen zij Hij die Zijn dienaar bij nacht een reis liet maken van de heilige moskee naar de verste moskee, waarvan Wij de omgeving gezegend hebben om hem iets van Onze tekenen te tonen. Hij is de horende, de ziende.” (Koran 17:1)

* * *

Jibriel = Gabriël

Aboe Bakr is Mohammeds beste vriend en beschermer

Isa – Jezus

Meryem = Maria

Haroen = Aaron

Yahya = Johannes (de doper)

Zakaria = Zacharias

Yusuf = Jozef (de zoon van Abraham)

Ibrahim = Abraham

Moesa = Mozes

Bron: Mahmoed Hussein: Al-Sira, de verhalen over Mohammed in Mekka (Amsterdam, 2008), naverteld door Hendrik Jan Bakker.

Advertenties