Rudolf Steiner over islam (I)

door abubakkernl

Rudolf Steiner over de rol van de islam in de ontwikkeling van het Europese geestesleven

Fragment uit: De maanreligie van Jahwe en haar weerspiegeling in het Arabisme. Het uitmonden van de Boeddha-Mercuriusstroming in het Rosenkruizerdom. Negende voordracht, Berlijn, 13 maart 1911
In Rudolf Steiner: Excursies in het gebied van het Markus Evangelie, GA 124, Dornach 1995, pp.169-176 [1], vertaald door Hendrik Jan Bakker

Korte inhoud van de hele voordracht:
De verhouding van het maanlicht tot het zonlicht als beeld voor de verhouding van de Jehova-religie tot de Christus-religie. De herhaling van de voorchristelijke cultuurperioden in de nachristelijke. Het Mohammedanisme als heropleving van de oud-Hebreeuwse Jehova-religie in de nachristelijke tijd. Het samenstromen van de Mohammed-impuls en de Christus-impuls van de zesde tot de twaalfde eeuw. De nastromende golf van het Griekendom van de twaalfde tot de achttiende eeuw. Die na Goethe inzettende nieuwe nevenstroming van het Christendom, het vernieuwde Boeddhisme als Mercuriusstroming. De legende van Barlaam en Josephat. De bijdrage van de Karma-gedachte tot begrip van de door de natuurwetenschap nieuw ontdekte feiten. De uiteenzetting tussen Haeckel en Wilhelm His asls symptoom voor de noodzakelijkheid van nieuwe natuurwetenschappelijke begrippen. De moeilijkheid van geesteswetenschappelijke waarheden.

Nu zult u zich herinneren hoe ik het totale verloop van de mensheidsontwikkeling gekarakteriseerd heb. In de eerste plaats hebben we een afdalende ontwikkeling vanaf de tijd dat de mensen om zo te zeggen uitgestoten werden uit de geestelijke wereld en steeds dieper in de materie afdaalden. Dat is een afdalende weg. En we kunnen, als we ons in het algemeen de weg van de mensheidsontwikkeling voorstellen, bedenken dat het diepste punt waar de mens naar afgedaald is dat is, waar de Christusimpuls zich voordeed, om langzamerhand de afdalende weg weer in een opstijgende te veranderen. Zo hebben we de mensheidsontwikkeling in een afdalende en een opstijgende weg, en daar waar het diepste punt was, de Christusimpuls, die daar begon te werken, en die zal doorwerken totdat de aarde aan het einde van haar missie zal zijn aanbeland.

Nu voltrekt de ontwikkeling zich echter op een gecompliceerde manier, namelijk zo, dat bepaalde ontwikkelingspatronen voortzettingen zijn van vroeger gegeven impulsen. Zo’n ontwikkelingspatroon is die, die door de Christusimpuls is gegeven. De Christusimpuls heeft zich éénmaal voorgedaan in het begin van onze tijdrekening en zal zich gestaag in een rechte lijn, steeds machtiger en machtiger wordend tot aan het doel van de mensheidsontwikkeling in de mensenzielen inleven en van daaruit het gehele aardeleven doordringen. Dat is een impuls die eenmaal gegeven werd en die we op zo’n manier te begrijpen hebben, dat we een gestaag voortschrijdende lijn tekenen en dat we kunnen zeggen: Alles wat later verschijnt laat ons die ontwikkeling op een hogere, op een volmaaktere trap zien. Van zulke impulsen zijn er meerdere in de wereld. Maar er zijn ook impulsen en ontwikkelingsfactoren die anders werken en die zich niet langs een rechte lijn laten volgen. Ook zulke impulsen hebben we al genoemd. We hebben in de na-Atlantische ontwikkeling de oeroud-Indische cultuurtijd onderscheiden, daarop volgend de oer-Perzische, de Egyptisch-Chaldeeuwse [2], dan de Grieks-Latijnse, daarna de onze en volgend op de onze twee andere cultuurperioden, zodat in deze zeven tijperken de Grieks-Latijnse, waarin het Christusgebeuren plaatsvond, in het midden staat.

Nu is het zo dat bijvoorbeeld in deze vijfde na-Atlantische periode, waarin we nu leven, bepaalde ontwikkelingen zich op een andere manier herhalen die zich in de derde, in de Egyptisch-Chaldeeuwse periode voordeden; zodat we de Christusimpuls in het midden hebben staan en de derde periode op een bepaalde manier in de vijfde wordt herhaald. Net zo zal in de zesde periode de tweede, de oer-Perzische zich herhalen en in de zevende de eerste, de oeroud-Indische. We hebben daar te maken met teruggrijpende ontwikkelingsfactoren, die zich zo in de ontwikkeling laten zien dat we er het Bijbelwoord “de eersten zullen de laatsten zijn” op kunnen toepassen. – De oer-Indische periode zal op een andere manier, maar toch zo, dat hij herkenbaar zal zijn, in het zevende cultuurtijdperk weer opleven.

Daar hebben we een andere manier waarop het vroegere in het latere ingrijpt. We hebben deze andere manier echter daardoor gegeven, dat zich in de ontwikkeling van de mensheid ook nog weer kleinere perioden vormen. Op een bepaalde manier grijpt dus dat, wat in de voorchristelijke periode tijdens de oud-Hebreeuwse cultuur gebeurde ook weer, de Christusimpuls doorsnijdend, in de na-Christelijke tijd in, zodat datgene wat zich in het Jahwe- of Jehova-wereldbeeld had voorbereid op een bepaalde manier nadien weer is opgetreden en, hoewel die andere factoren bestaan, toch op de latere factoren inwerkt.

Wanneer we dat wat we nu vanwege de beperkte tijd niet uitputtend kunnen behandelen met een symbool weergeven , dan kunnen we zeggen: als we de Jahwe-religie door een maansymbool beleven in tegenstelling tot de zon, dan kunnen we verwachten dat een zelfde gezichtspunt, over de Christus-impuls heengrijpend, als een soort maanreligie weer binnenkomt in de latere tijd. Dat is inderdaad het geval. En wie zulke dingen niet uiterlijk neemt moet om zoiets niet lachen – want het is niets om over te lachen, maar het hangt werkelijk samen met de symboliek van de betreffende religie en wereldbeschouwing –, dat het weer opduiken van de oude Jahwe-maan-religie te zien is in de religie van de halve maan [3] die in de tijd na het Christusgebeuren weer optreedt en de impulsen die eraan vooraf gingen in de na-Christelijke tijd weer opwerpt. Hier hebben we de herhaling van een vroeger tijdperk in een later in herhalende volgorde in het laatste derde deel van de Grieks-Latijnse tijd, die we occult wel tot in de twaalfde, zelfs dertiende eeuw mogen rekenen. Dat wil zeggen, we hebben, nadat een tijdspanne van zes eeuwen is uitgezonderd, te beginnen met de zesde eeuw en alle ontwikkelingsfactoren machtig beïnvloedend, in de religie die de Arabieren van Afrika tot Spanje hebben verbreid, de religie die, zonder dat hij met de eigenlijke Christus-impuls rekening hield [4], een soort terugkeer van de Jahwe-maanreligie in een andere vorm is. Het is nu niet mogelijk om alle eigenaardigheden daarvan uiteen te zetten, van wat daar is overgebracht. Maar belangrijk is het al dat we in onze ziel schrijven dat in deze wereldbeschouwing van Mohammed voorlopig niet gerekend is met de Christus-impuls, dat deze Mohammed-religie werkelijk een soort heropleving was van wat men in de eenheidsgod van de religie van Mozes kon vinden. Maar nu was deze eenheidsgod binnengedragen in iets wat om zo te zeggen van een andere kant benaderd was, bijvoorbeeld van de Egyptisch-Chaldeeuwse kant, die een precieze kennis gebracht had van de samenhang van datgene wat zich aan de sterrenhemel voordeed met het wereldgebeuren. Daaraan zien we dat al die gedachten en begrippen die we zowel bij de Egyptenaren als ook bij de Chaldeeërs, de Babyloniërs en de Assyriërs vinden, opnieuw optreden in de Mohammed-religie [5], maar nu merkwaardig doorlicht en doordrongen van dat, wat we kunnen noemen de eenheidsgodheid van Jahwe of Jehova. Het is als een samenvatting, als men wetenschappelijk wil spreken, als een synthese van alles wat de Egyptisch-Chaldeeuwse priesterwijzen onderwezen hebben, wat in Chaldea onderwezen werd, met dat wat de oud-Hebreeuwse Jahwe-religie onderwees, wat ons in het Arabierendom tegemoet treedt.

Er treedt bij zo’n samenloop niet slechts een concentratie op, maar er wordt ook altijd iets uitgezonderd en afgescheiden. Nu moest alles uitgezonderd worden wat op een helderziende waarneming terugging. Een combineren, een zuiver intellectueel onderzoeken was het wat overbleef, zodat de begrippen van de Egyptische geneeskunde, de Chaldeeuwse astronomie, die bij de Egyptenaren en de Chaldeërs was voortgekomen uit een oude helderziendheid, ons in het Arabisme van Mohammed in geïntellectualiseerde en geïndividualiseerde vorm tegemoet treden. Daardoor werd via de omweg over de Arabieren iets in gefilterde vorm naar Europa gebracht – gefilterd omdat alle oude begrippen, die bij de Egyptenaren en de Chaldeërs bekend waren, van hun beeldkarakter werden ontdaan en in een abstracte vorm gegoten, bij ons in de bewonderenswaardige wetenschap van de Arabieren, die vanuit Afrika via Spanje Europa binnendrongen, weer opdoken. Had het christendom een impuls gebracht die in de kern voor de menselijke ziel bestemd was, zo was de grootste impuls voor het menselijke hoofd, voor het menselijke intellect via de omweg van de Arabieren gekomen. En diegenen die niet nauwkeurig bekend zijn met het verloop van de mensheidsontwikkeling weten totaal niet wat deze wereldbeschouwing, die vernieuwd onder het symbool van de halve maan optrad, de gehele mensheid heeft opgeleverd. Kepler en Copernicus waren niet mogelijk geweest zonder die impulsen, die door het Arabierendom naar Europa gebracht werden. Want de hele manier van denken en combineren van wereldbeschouwingen, met weglating van de oude helderziendheid, zien we weer optreden in de tijd dat de derde cultuurperiode haar opstanding in ons vijfde tijdperk viert in onze astronomie, in onze huidige wetenschap überhaupt.

Zo hebben we aan de ene kant de gang van de mensheidsontwikkeling die zo verloopt dat de Christusimpuls in de Europese volkeren direct doordringt via Griekenland en Italië, en we hebben een andere beweging zuidelijk daarvan, die een omweg maakt, doordat hij aan Griekenland en Italië voorbij gaat en zich verbindt met dat wat via de omweg door de Arabische impuls tot ons is gekomen.

Alleen uit het samenvloeien van de Christusreligie en de Mohammedreligie kon in die periode, die wij als een belangrijke fase moeten zien, dat ontstaan wat eigenlijk onze hedendaagse cultuur is. Om redenen die nu niet uiteengezet kunnen worden moeten we ons perioden van ongeveer zes tot zes en een halve eeuw voorstellen voor impulsen zoals nu zijn genoemd; zodat inderdaad zes eeuwen na het Christusgebeuren de vernieuwde maancultuur, de Arabische maancultuur ontstaat, zich verspreidt en in Europa doordringt en tot in de dertiende eeuw de Christuscultuur bevrucht, die haar directe impulsen via andere wegen ontvangen had. Daar bestond een voortdurende uitwisseling. Wie heel nauwkeurig zelfs slechts de uiterlijke gang van zaken kent, die weet dat zelfs in de kloosters van west Europa – hoewel ze het Arabisme bestreden – de Arabische gedachten in de wetenschap binnenstroomden en zich daarin verspreidden, die weet ook dat tot in het midden van de dertiende eeuw, toen er weer iets heel bijzonders voorviel, een samenstromen van de twee impulsen bestond, de Arabische impuls en de directe Christusimpuls.

Daaruit kunt u afleiden dat de directe Christusimpuls inderdaad via andere wegen werkt als de impulsen die gelijktijdig als nevenstromingen verliepen, om zich ermee te verbinden. Zes eeuwen na de Christusimpuls begint in de Oriënt, door gebeurtenissen die niet makkelijk zijn weer te geven, hoewel ze iedere occultist goed bekend zijn, een nieuwe cultuurstroming die dan door Afrika via Spanje het Europese geestesleven doordringt en zich met de Christusimpuls, die via andere wegen moest komen, verenigt. We kunnen dus zeggen dat het zonnesymbool met het maansymbool is samengesmolten in de tijd tussen de zesde, zevende eeuw en de twaalfde, dertiende eeuw, dus weer een tijdperk dat ongeveer zeshonderd jaar geduurd heeft.

Nu ontstond er, nadat deze onmiddellijke bevruchting in zekere zin haar doel had bereikt, iets nieuws dat zich langzamerhand juist sinds de twaalfde, dertiende eeuw heeft voorbereid. Het is interessant dat zelfs de uiterlijke wetenschap erkent dat er toen iets onverklaarbaars door de zielen van de Europese mensheid ging. De uiterlijke wetenschap zegt: iets onverklaarbaars. De occulte wetenschap zegt echter dat in die tijd als het ware de directe Christusimpuls achterna stromend, in de zielen datgene zich op geestelijke wijze uitgiet, wat het vierde tijdperk van de na-Atlantische cultuur zelf geboden had: de Griekse tijd vormt een achterna-stromende golf. Dat is wat we de tijd van de Renaissancecultuur noemen, die nu door de volgende eeuwen alles wat er al was bevrucht. Zo zien we weer zo’n vooruitgrijpen na een zeshonderdjarige periode van het uitvloeien van het Arabierendom, zien we hoe het Arabierendom tijd gelaten werd, nadat het uitgevloeid was, om langzaam door te dringen. Dat gebeurt doordat de Griekse tijd, die in de zeven na-Atlantische cultuurperioden neutraal in het midden staat, nawerkt in de Renaissancecultuur. En het beslaat weer een periode van zes eeuwen, dus tot in onze tijd, dat deze Griekse golf om zo te zeggen uitgewerkt raakt. Daarin bevinden wij ons nu nog. We leven nu in zekere zin in een overgang, in zoverre dat we weer voor het begin van een nieuwe zeshonderdjarige cultuurstroom staan die weer iets nieuws brengt, dat de Christus-impuls zich met iets nieuws moet bevruchten. Nadat de hernieuwde maancultus in het halvemaandom tijd had zich uit te leven door de Renaissancetijd, is nu de tijd gekomen waarin de Christusimpuls, die zich in een rechte lijn voortzet, een [nieuwe] nevenstoom moet opnemen.

Als we begrip hebben voor de ontwikkeling in de tijd, dan mogen we als de laatste grote geest die de rijkdom van de wetenschap, de rijkdom van het Christendom en de rijkdom van de Renaissancecultuur in zijn ziel verenigde, Goethe noemen, en we zouden dan kunnen verwachten dat in Goethes ziel de mooie samenvatting van de Renaissancecultuur, de wetenschap te zien zou zijn, dat wil zeggen van het intellectualisme, hoe dat door het Arabierendom bevrucht werd, en van het Christendom.

[1] http://fvn-archiv.net/PDF/GA/GA124.pdf
[2] = Aramees. Chaldea was van de tiende tot de zesde eeuw een Semitisch (Aramees) koninkrijk langs de Eufraat tussen Babylon en de Perzische Golf.
[3] Ik vermoed dat het symbool van de halve maan als symbool door de Mongoolse horden is meegebracht, die Bagdad in de dertiende eeuw vernietigden, dus bij het aanbreken van de tweede fase van de periode dat de maancultuur zich in Europa deed gelden, waar Steiner verderop over spreekt.
[4] Deze bewering zou nader moeten worden onderzocht. Ik heb zelf juist de indruk dat de islam, althans de openbaring van de Koran, een impuls was om het leven op een nieuwe manier met de Christusimpuls te doordringen, los van de christelijke instituten die zich elders aan het vormen waren. In een voordracht van 11 januari 1919 (GA 188) stelt Steiner dat het Christendom zich van het heidense inwijdingsritueel van de Romeinen moest bedienen om in het Romeinse rijk verbreid te raken. Daaruit is de Roomse mis voortgekomen. Eenzelfde redenering zou je ook voor de Arabische wereld kunnen volgen. Wie met een open blik leest, kan in de Koran en de uitspraken van de profeet Mohammed namelijk vele christelijke waarden ontdekken, soms ondubbelzinnig geformuleerd, soms tussen de regels door. Ibrahim Abouleish ontdekte bijvoorbeeld een driedeling in de 99 Schone Namen van Allah waarin zich het Vader-Zoon-Geestprincipe weerspiegelt (Abouleish: Sekem, ontwikkelingssamenwerking in een nieuw perspectief, Zeist, 2005, pp.36-39). Nader onderzoek is hier nog nodig.
[5] Steiner maakt niet altijd duidelijk onderscheid tussen de religie islam, de Arabische cultuur en de islamitische cultuur (islam in brede zin, inclusief wetenschap etc.) In ‘Wie finde ich den Christus?’ (Voordracht gehouden in Zürich op 16 oktober 1918, in: Der Tod als Lebenswandlung, Dornach, 1996, GA 182, p.174 http://fvn-archiv.net/PDF/GA/GA182.pdf) stelt Steiner de religie duidelijk tegenover de wetenschappelijke stroming die vanuit de universiteit van Gondishapur in Perzië verbreid werd. Dat was geen Arabische kennis en dat waren geen Arabieren, maar Grieken, Perzen, Indiërs etc. die binnen het door de Arabieren veroverde gebied werkten, ingebed in de islam. Steiner zegt dat de verbreiding van deze zuiver intellectuele kennis de menselijke ontwikkeling dreigde te verstarren en dat de islam werd geopenbaard om die ontwikkeling af te zwakken.

Advertenties